4 april 2015

 

uitleg Paaswake

Eerste lezing uit het boek Exodus (14,15ó15,1)

In die dagen sprak de Heer tot Mozes: Wat roept gij Mij toch. Beveel de IsraŽlieten verder te trekken. Gij zelf moet uw handen opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeŽn splijten. Dan kunnen de IsraŽlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. De Egyptenaren zullen weten dat Ik de Heer ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners. De engel van God die aan de spits van het leger der IsraŽlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op, tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de IsraŽlieten. De wolk bleef die nacht oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen. Zo trokken de IsraŽlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden. De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de IsraŽlieten aan de zee in. Tegen de morgenwake richtte de Heer vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: Laten we vluchten voor de IsraŽlieten, want de Heer strijdt voor hen tegen ons. Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners. Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef de Heer hen midden in de zee. Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners, heel de strijdmacht van Farao die de.IsraŽlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet ťťn bleef gespaard. De IsraŽlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. Zo redde de Heer op deze dag IsraŽl uit de greep van Egypte; IsraŽl zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen IsraŽl het machtige optreden van de Heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de Heer; zij stelde vertrouwen in de Heer en in Mozes zijn dienaar. Toen hieven Mozes en de IsraŽlieten ter ere van de heer dit lied aan.

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen (6,3-11)

Broeders en zusters, gij weet toch, dat de doop, waardoor wij ťťn zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn důůd? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt. Zijn wij ťťn met Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven; want wij weten, dat Christus, eenmaal van de doden verrezen, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de dood die Hij gestorven is, heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens  Marcus (16,1-8)

Toen de sabbat voorbij was kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, en Salůme welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen. Op de eerste dag van de week, heel vroeg, toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf. Maar ze zeiden tot elkaar: 'Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?' Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was; en deze was zeer groot. Binnengetreden in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad. Maar hij sprak tot haar: 'Schrikt niet. Gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruisigd is. Hij is verrezen, Hij is niet hier. Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had. Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen: Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.' De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf, want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd. En uit vrees zeiden ze er niemand iets van.

 

Overweging

Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien. (Marcus 16, 7)

Vandaag ervaren we de stilte van het graf terwijl Jezus Ēsliep in de doodĒ, alsof Hij rustte van zijn kwellende lijden. Vervolgens zullen we, vanavond bij de Paaswake, met het Credo verkondigen dat Jezus is neergedaald in de hel, de poorten ervan ingetrapt heeft en Satans wurggreep op het menselijk ras gebroken heeft. Als geloofsgemeenschap zullen wij er met vurig verlangen op wachten dat zijn opstanding ons bevrijdt van de oude vloek van de zonde en ons herstelt in het leven in God. We zullen vanavond ook worden herinnerd aan de nacht waarin de IsraŽlieten uit Egypte ontkwamen aan de oevers van de Rode Zee. Zij ontsnapten in de woestijn nadat de engel van de dood hen overgeslagen had en waren nu ingesloten door de zee voor hen en farao's troepen vlak achter hen. Daar hielden zij de wacht, met de geheimzinnige engel van de Heer en de wolkkolom die hen de hele nacht bewaakten (Exodus 14,19). Wat moeten ze vurig gehoopt hebben op hun bevrijding! Hun leven stond in de waagschaal en ze konden alleen pal staan in geloof (14,14). Er was niets anders dat zij ook maar konden doen. Alles hing nu van God af.

Jezusí leerlingen bevonden zich in een soortgelijke situatie na zijn kruisiging. Geen enkele inspanning Ė noch Petrusí verdriet om de verloochening van zijn Meester, noch de hartelijke voorbereidingen van de vrouwen om Jezusí lichaam met kruiden te zalven Ė kon de Meester weer tot leven brengen. Zij konden alleen maar wachten. Maar juist hier, waar alle menselijke hulpbronnen uitgeput zijn, straalt Gods macht het mooist. Toen wij dood waren in de zonde, stuurde Hij zijn Zoon om ons tot leven te wekken. Toen wij onszelf niet konden redden, redde Jezus ons. Toen wij slaaf werden van de duivel, heeft God onze ketens losgemaakt.

Laten we vannacht wachten op de Heer. We hoeven alleen maar ďstil te zijnĒ en Hij zal voor ons handelen. Zelfs als u de Paaswake niet bij kunt wonen, breng dan vannacht wat tijd wakend door en wacht op het doorbreken van het licht van Christus in onze wereld. Dit is de ďwaarlijk heilige nacht, de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees!Ē (Paasjubelzang).

Gebed

O Christus, onze Redder, al onze hoop is op U! Door uw verrijzenis bevrijdt U ons van onze zonden en angsten. Verander ons verdriet in vreugde. Herstel ons, Heer, tot leven in U. Amen.

 
 

Bron: het Woord onder ons,
uitgegeven door Stichting KCV, Helmond